ECLI:NL:CRVB:2019:3220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing beperkingen
Appellant was werkzaam als docent voor twaalf uur per week en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering nadat een verzekeringsarts hem geschikt achtte voor zijn laatst verrichte werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten, met name voetklachten en stressgerelateerde symptomen, onvoldoende waren meegewogen en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad stelde vast dat appellant de voetklachten niet onderbouwd had en pas na de datum in geding verwezen was naar een podotherapeut. De overige klachten waren niet medisch inhoudelijk onderbouwd voor de datum in geding.
De verzekeringsarts en cardioloog concludeerden dat de klachten passend waren bij stress en spanning, zonder cardiale pathologie. Het werk als docent kon vanuit medisch oogpunt worden verricht. De Raad zag geen grond voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.