ECLI:NL:CRVB:2019:3217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing WAO-uitkering
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op een eerder besluit van 6 augustus 2001 waarin een WAO-uitkering werd geweigerd. Dit verzoek werd bij besluit van 23 mei 2017 afgewezen omdat appellant geen nieuwe informatie aanleverde.
Op 12 juli 2017 ontving het UWV een bezwaarschrift van appellant tegen dit besluit, maar dit bezwaarschrift bevatte geen motivering waarom appellant het niet eens was met de beslissing. Het UWV verzocht appellant om binnen een gestelde termijn de gronden aan te vullen, maar appellant reageerde niet. Daarom verklaarde het UWV het bezwaar op 15 augustus 2017 niet-ontvankelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het bezwaarschrift geen gronden bevatte en appellant ondanks verzoeken geen aanvullende informatie gaf. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UWV bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit onjuist was, maar gaf geen nieuwe gronden aan. De Raad concludeert dat het beroep terecht ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden.