ECLI:NL:CRVB:2019:3217

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2019
Publicatiedatum
10 oktober 2019
Zaaknummer
18/2722 WAO-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing WAO-uitkering

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op een eerder besluit van 6 augustus 2001 waarin een WAO-uitkering werd geweigerd. Dit verzoek werd bij besluit van 23 mei 2017 afgewezen omdat appellant geen nieuwe informatie aanleverde.

Op 12 juli 2017 ontving het UWV een bezwaarschrift van appellant tegen dit besluit, maar dit bezwaarschrift bevatte geen motivering waarom appellant het niet eens was met de beslissing. Het UWV verzocht appellant om binnen een gestelde termijn de gronden aan te vullen, maar appellant reageerde niet. Daarom verklaarde het UWV het bezwaar op 15 augustus 2017 niet-ontvankelijk.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het bezwaarschrift geen gronden bevatte en appellant ondanks verzoeken geen aanvullende informatie gaf. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UWV bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit onjuist was, maar gaf geen nieuwe gronden aan. De Raad concludeert dat het beroep terecht ongegrond is verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden.

Uitspraak

18.2722 WAO-PV

Datum uitspraak: 2 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2018, 17/5455 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: J.P.M. Zeijen
Griffier: H. Spaargaren
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Bij besluit van 23 mei 2017 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het eerdere besluit van 6 augustus 2001 inzake weigering van toekenning van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen, omdat appellant in zijn verzoek geen nieuwe informatie heeft vermeld.
1.2.
Op 12 juli 2017 heeft het Uwv een bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 23 mei 2017 ontvangen. Bij brief van 13 juli 2017 heeft het Uwv appellant geïnformeerd dat zijn bezwaarschrift incompleet is omdat hij niet heeft vermeld waarom hij het niet eens is met de beslissing. Het Uwv heeft appellant tot en met 9 augustus 2017 gegeven om zijn bezwaarschrift compleet te maken en heeft vermeld dat als appellant te laat reageert het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Het Uwv heeft na het uitblijven van een reactie van appellant het bezwaar bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2017 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in zijn bezwaarschrift enkel heeft vermeld dat hij zich niet met de beschikking kan verenigen, omdat de beschikking onjuist is. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat het bezwaarschrift geen gronden bevat. Nu appellant zijn gronden van bezwaar – ondanks het door het Uwv bij brief van 13 juli 2017 gedane verzoek daartoe – niet kenbaar heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv bevoegd was om het bezwaar op grond van artikel 6:6, sub a, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk te verklaren.
1.4.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2017 niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en dat het besluit van het Uwv niet juist is. Hij heeft daarbij uitsluitend vermeld dat zijn WAO-aanvraag is afgewezen, terwijl hij toch alle gegevens naar het Uwv heeft gezonden. De Raad begrijpt dat appellant met het laatste doelt op de gegevens die hij heeft verstrekt in het kader van de aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 6 augustus 2001, de procedure naar aanleiding van dat besluit en/of eerdere verzoeken om terug te komen van het besluit van 6 augustus 2001. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift dat het Uwv op 12 juli 2017 heeft ontvangen geen gronden bevat en dat appellant ook niet alsnog binnen de daartoe door het Uwv gestelde termijn gronden kenbaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2017. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) H. Spaargaren (getekend) J.P.M. Zeijen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de Centrale Raad van Beroep