ECLI:NL:CRVB:2019:3158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding op basis van onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellante ontving aanvullende bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner X, wat recht op bijstand uitsluit. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 mei 2016.
Het college baseerde zich op onderzoek door een toezichthouder en sociale recherche, inclusief verklaringen van appellante en X, waarnemingen, huisbezoeken en aangetroffen persoonlijke spullen van X in de woning van appellante. Deze feiten ondersteunden het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding omdat zij een kind samen hadden en X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
Appellante voerde aan dat X zijn hoofdverblijf elders had en dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden, maar deze gronden werden verworpen. De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van X zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres lag en dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om het besluit te dragen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.