ECLI:NL:CRVB:2019:3099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling over functiewaardering HR21
Appellant, werkzaam bij de gemeente Stadskanaal, maakte bezwaar tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders waarin werd medegedeeld dat zijn functie niet werd meegenomen in de technische implementatie van het nieuwe functiewaarderingssysteem HR21, maar pas in een latere onderhoudsronde.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, aangezien deze niet op rechtsgevolg was gericht. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief wel een besluit was omdat het een weigering inhield om zijn functie conform HR21 in te delen en waarderen, waardoor zijn rechten werden aangetast. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de brief slechts feitelijke informatie bevatte zonder rechtsgevolg.
Verder wees de Raad het betoog af dat uit een eerder besluit van de Algemeen Directeur zou blijken dat de functie definitief niet zou worden ingedeeld. Het college had op 21 december 2018 een definitief indelingsbesluit genomen waarin de functie van appellant met terugwerkende kracht per 1 januari 2016 was ingedeeld en gewaardeerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 27 september 2016 is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief geen besluit is in de zin van de Awb.