ECLI:NL:CRVB:2019:3066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij ziekte van Parkinson
Appellant, werkzaam als chauffeur techniek en reiniging, had zijn arbeidsduur meerdere keren verminderd tussen 2010 en 2013. Vanaf september 2014 meldde hij zich ziek vanwege klachten gerelateerd aan de ziekte van Parkinson. Het UWV kende hem in 2016 een IVA-uitkering toe met ingang van september 2016. Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag, stellende dat hij als medische afzakker moest worden beschouwd omdat hij per januari en december 2013 om medische redenen minder was gaan werken.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende medische stukken had overgelegd om het medische karakter van de urenvermindering aan te tonen. De urenbeperking was volgens appellant ingegeven door privéomstandigheden. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit en liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verwees naar een rapport van de primaire verzekeringsarts die hem als medische afzakker bestempelde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat niet de eerste klachten van Parkinson doorslaggevend zijn, maar vanaf wanneer appellant door deze klachten niet meer in staat was zijn werkzaamheden in normale omvang te verrichten. Er was geen bewijs dat de urenvermindering per 1 januari en 1 december 2013 medisch noodzakelijk was. De medische rapporten toonden slechts lichte motorische stoornissen zonder invaliderend karakter in die periode. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant niet als medische afzakker kan worden aangemerkt voor eerdere arbeidsongeschiktheidsdagen.