ECLI:NL:CRVB:2019:3063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
25 september 2019
Zaaknummer
18/6380 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in AOW-uitkering afgewezen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een AOW-uitkering, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. De termijn voor het instellen van hoger beroep was verstreken op 31 juli 2018, terwijl het beroepschrift pas op 14 december 2018 werd ontvangen.

Appellant stelde in verzet dat hij de aangevallen uitspraak laat had ontvangen, waardoor hij niet tijdig kon reageren. De Raad heeft dit betoog onderzocht maar vond dat appellant geen concrete feiten of bewijsstukken had overgelegd die konden aantonen dat hij niet in verzuim was. De late ontvangst van de uitspraak werd niet concreet gemaakt.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 september 2019, in aanwezigheid van griffier L.R. Daman.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 september 2019
18/6380 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018, 17/7095 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 28 maart 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 augustus 2019, waar beide partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 28 maart 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 31 juli 2018. Het hogerberoepschrift is op 14 december 2018 ontvangen. De termijn voor het instellen van hoger beroep is daarmee overschreden.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij de aangevallen uitspraak laat heeft ontvangen.
De Raad is van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Appellant heeft de late ontvangst van de aangevallen uitspraak niet geconcretiseerd en evenmin met bewijsstukken onderbouwd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.R. Daman

VC

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par C.H. Bangma en présence de L.R. Daman en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 20 septembre 2019.