ECLI:NL:CRVB:2019:3023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid
Na het overlijden van zijn echtgenote ontving appellant een nabestaandenuitkering omdat zijn jongste kind tot zijn huishouden behoorde. Toen het kind 18 jaar werd, trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering in. Appellant stelde zich arbeidsongeschikt op en vroeg hernieuwde toekenning. Het UWV voerde medisch en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde dat appellant niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
De Svb handhaafde de beëindigingsbeslissing, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, waaronder slaapstoornis, vingerdefecten, tremoren en kleurenblindheid, onvoldoende waren meegewogen. Ook stelde hij dat hij onvoldoende onderwijs had genoten en de Nederlandse taal niet beheerst.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek deugdelijke grondslag bood en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) alle beperkingen voldoende in rekening bracht. De Raad achtte de kleurenblindheid niet aannemelijk als wezenlijke beperking en vond de geselecteerde functies medisch en arbeidskundig geschikt. Ook achtte de Raad aannemelijk dat appellant de Nederlandse taal binnen zes maanden mondeling kan beheersen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de beëindiging van de uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De beëindiging van de nabestaandenuitkering blijft ongewijzigd omdat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.