ECLI:NL:CRVB:2019:3
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2012 ziek vanwege cardiale klachten en onderging een aortaklepvervanging. Zij hield klachten zoals vermoeidheid, schildklierproblemen, etalagebenen, hyperventilatie en psychische klachten. In 2014 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV beoordeelde haar arbeidsongeschiktheid en stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
Na bezwaar en beroep werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast vanwege PTSS en angstklachten, maar de arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies geschikt waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen twijfel bestond over de juistheid van de FML.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over haar beperkingen, met name door cardiale en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de FML juist was vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.