ECLI:NL:CRVB:2019:299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering psychische klachten
Appellant, werkzaam als teamleider agrarisch bedrijf/orderpikker, meldde zich op 27 december 2012 ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV weigerde op 9 februari 2015 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Rotterdam op 4 november 2016.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten ernstig waren en dat het UWV de functionele mogelijkheden onjuist had vastgesteld. Hij verwees naar eerdere rapporten van verzekeringsartsen die een urenbeperking adviseerden vanwege ernstige pijnklachten en psychische problematiek.
De Raad oordeelde dat het oordeel van de verzekeringsartsen onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de verslechtering van de psychische klachten niet objectief was weerlegd en de informatie van de behandelend psycholoog onvoldoende was betrokken. Hierdoor kon het besluit van het UWV niet worden gedragen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb Pro in acht moet worden genomen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de beoordeling van de psychische klachten.