ECLI:NL:CRVB:2019:2983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluiten over mate van arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als ambulant jeugdbegeleider, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 43,90% per 26 januari 2016 en beëindigde later de WGA-uitkering per 11 juli 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellante stelde bezwaar en beroep in tegen beide besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, waaronder het verzoek om een onafhankelijke deskundige en het betoog dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen. De Raad toetste de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, de gelijkheid van wapens tussen partijen en de inhoudelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie in te brengen en dat er geen aanwijzingen waren voor verdergaande beperkingen. Het rapport van i-psy uit 2018 werd betrokken, maar bood geen aanleiding tot twijfel aan het UWV-oordeel. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraken en verklaart de hoger beroepen ongegrond.