ECLI:NL:CRVB:2019:298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling door UWV bevestigd
Appellante, werkzaam als huishoudelijke hulp, viel in juni 2010 uit wegens lichamelijke klachten en kreeg een WIA-uitkering toegekend met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van haar ex-werkgever stelde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per februari 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de geschiktheid voor geselecteerde functies als voldoende gemotiveerd werden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de herbeoordeling geen wettelijke grondslag had en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onderbouwd met diverse medische stukken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV te allen tijde bevoegd is tot herbeoordeling, ook op verzoek van de ex-werkgever. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had adequaat gereageerd op de medische stukken en de rechtbank had terecht geoordeeld dat er geen aanleiding was om aan de conclusies te twijfelen.
De Raad bevestigde ook de geschiktheid van appellante voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd na een zorgvuldige herbeoordeling.