ECLI:NL:CRVB:2019:2913
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek gelijkstelling op grond van Wuv wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1935, heeft sinds 2000 meerdere verzoeken ingediend om gelijkstelling te verkrijgen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Alle verzoeken zijn steeds afgewezen omdat niet is vastgesteld dat appellant ziekten of gebreken heeft die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader, een vervolgingsslachtoffer.
De Raad heeft in eerdere uitspraken overwogen dat appellant wel PTSS-klachten heeft, maar deze voortkomen uit zijn eigen oorlogservaringen en niet direct uit het overlijden van zijn vader. Diverse medische adviezen bevestigen dit standpunt, waarbij ook een depressieve stoornis niet als een op zichzelf staande aandoening wordt gezien die verband houdt met het overlijden van de vader.
In het meest recente verzoek van juli 2018 stelde appellant dat zijn klachten zijn verergerd, maar verweerder concludeerde op basis van een medisch advies dat ook nu geen direct causaal verband is aangetoond. De Raad toetst het besluit terughoudend en stelt dat geen nieuwe feiten of gegevens zijn aangevoerd die aanleiding geven tot herziening.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere afwijzingen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.