ECLI:NL:CRVB:2019:2801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken bijzonder geval voor terugwerkende kracht
Appellant verzocht om kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf het vierde kwartaal van 2011 tot en met het vierde kwartaal van 2012. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat de maximale terugwerkende kracht volgens artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) één jaar bedraagt, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor een herhaalde aanvraag.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel sprake was van een bijzonder geval en dat hij aan alle vereisten voldeed. De Raad beoordeelde het verzoek als een eerste aanvraag en toetste de afwijzing inhoudelijk. De Raad oordeelde dat het enkele feit dat appellant stukken had ingediend en stelde te voldoen aan de voorwaarden, niet volstaat als bijzonder geval. Er was geen bewijs dat appellant door een hem niet toe te rekenen oorzaak niet tijdig een aanvraag kon indienen.
Daarmee was de Svb niet bevoegd om kinderbijslag toe te kennen over de gevraagde periode langer dan één jaar terug. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag met terugwerkende kracht langer dan één jaar wegens ontbreken van een bijzonder geval.