Uitspraak
16.2783 WIA-PV
BESLISSING
24 december 2014. Dit leidt ertoe dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv op 24 december 2014.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een WIA-uitkering toegekend gekregen vanaf 14 mei 2012, die het UWV op 24 december 2014 beëindigde omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij in beroep ging bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV in het oordeel dat de besluiten zorgvuldig waren voorbereid. Uit het medisch onderzoek van 2014 bleek dat de beperkingen van appellante waren vastgesteld na anamnese en lichamelijk onderzoek door een verzekeringsarts. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juni 2015 weerspiegelde een gewijzigde gezondheidssituatie ten opzichte van 2012, waarbij de eerdere urenbeperking was vervallen omdat appellante niet langer onder behandeling was.
De Raad oordeelde dat de medische informatie en de toelichting van de verzekeringsarts voldoende waren om de beperkingen vast te stellen en dat de door appellante aangevoerde klachten en haar eigen ervaring daarmee geen doorslaggevende betekenis hadden in de beoordeling. De arbeidsdeskundige had bovendien toegelicht dat de geselecteerde functies binnen haar belastbaarheid vielen. Daarom was het besluit van het UWV om de uitkering te beëindigen terecht en slaagde het hoger beroep niet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.