ECLI:NL:CRVB:2019:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ wegens onvoldoende administratieve verantwoording
De zaak betreft een geschil over de vaststelling en terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2013 onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het zorgkantoor had het pgb aanvankelijk toegekend, maar later op nihil vastgesteld en het bedrag teruggevorderd vanwege gebrekkige administratieve verantwoording door betrokkene.
De rechtbank had het besluit van het zorgkantoor vernietigd omdat er geen belangenafweging was gemaakt en oordeelde dat het zorgkantoor niet in redelijkheid het pgb op nihil had mogen stellen. De Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel en stelde vast dat betrokkene niet voldeed aan de administratieve verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ. Hoewel zorg door de moeder van betrokkene was verleend, ontbraken objectieve betalingsbewijzen zoals zorgovereenkomsten, declaraties en girale betalingen.
De Raad benadrukte dat de bewijslast bij betrokkene ligt en dat de belastingaangifte van de zorgverlener onvoldoende bewijskracht heeft omdat deze niet binnen het vereiste jaar is gedaan. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het pgb daadwerkelijk voor AWBZ-zorg was besteed. Het zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De Raad vernietigde het eerdere vonnis en liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het pgb voor 2013 blijft op nihil vastgesteld en het bedrag van €12.606,- wordt teruggevorderd.