ECLI:NL:CRVB:2019:2765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens niet-wonen op opgegeven adres
De Centrale Raad van Beroep heeft op 13 augustus 2019 het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de intrekking van bijstand en terugvordering van een bedrag van €1.995,87.
Uit het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer bleek dat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres. Dit werd onder meer vastgesteld doordat appellant geen huissleutel had, geen huur betaalde, geen eigen plek in het huis had en de door hem gemaakte tekening van de woning niet klopte. Daarnaast ontbraken persoonlijke bezittingen zoals kleding en administratie in de woning.
Verklaringen van buurtbewoners en een tijdelijke bewoner van het huis bevestigden dat appellant daar niet woonde. De Raad vond de verklaring van de huiseigenaar, overgelegd door appellant, onvoldoende onderbouwd. Ook verklaringen van de ex-vrouw van appellant en een andere betrokkene overtuigden de Raad niet dat appellant wel op het opgegeven adres woonde.
Omdat appellant niet heeft aangegeven waar zijn hoofdverblijf dan wel was, kon niet worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand per 14 december 2016 en de terugvordering over de periode tot 7 maart 2017. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet-wonen op het opgegeven adres worden bevestigd.