ECLI:NL:CRVB:2019:2746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en onvoldoende inzicht in herkomst
Appellanten ontvingen bijstand die door het college van burgemeester en wethouders van Heerlen werd opgeschort en later ingetrokken omdat zij niet volledig de gevraagde gegevens overlegden. Uit bankafschriften bleek dat er in de periode februari tot en met april 2016 meerdere stortingen waren gedaan, waaronder een bijschrijving van € 2.365,- op 19 februari 2016, waarvan de herkomst niet was toegelicht.
Het college besloot de bijstand te beëindigen met ingang van 6 juni 2016 en terug te vorderen vanaf 1 februari 2016 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank Limburg oordeelde dat appellanten terecht werden aangesproken op het niet melden en toelichten van de stortingen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerden appellanten nagenoeg dezelfde gronden aan als in eerste aanleg. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het college. De verklaring van de schoonzus, die een deel van de stortingen claimde, werd als onvoldoende geverifieerd en niet duidelijk genoeg beoordeeld. De Raad wees een proceskostenveroordeling af en handhaafde de intrekking en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstand wegens onvoldoende inzicht in de herkomst van kasstortingen.