Uitspraak
17.3029 WIA
OVERWEGINGEN
WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als interieurverzorgster, meldde zich in 2006 ziek met nekklachten en migraine. Na een initiële volledige arbeidsongeschiktheidsvaststelling in 2008, beoordeelde het UWV in 2016 haar arbeidsongeschiktheid opnieuw en concludeerde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en overhandigde medische stukken, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2016 en een aanvullend rapport uit 2017. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het besluit onzorgvuldig was en dat een onafhankelijke deskundige benoemd moest worden vanwege vermeende schending van het equality of arms-beginsel. De Raad concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was, appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat er geen aanleiding was voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad onderschreef de eerdere conclusies dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.