ECLI:NL:CRVB:2019:2689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verzekering AOW over studietijd in Suriname
Appellante, geboren in 1951 te Curaçao en met de Nederlandse nationaliteit, studeerde van 1967 tot 1970 in Suriname. Over deze periode is zij niet verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verstrekte een pensioenoverzicht waarin dit werd vermeld. Appellante maakte bezwaar tegen dit overzicht, maar dit werd ongegrond verklaard door de Svb en bevestigd door de rechtbank Amsterdam.
In hoger beroep stelde appellante dat de toepassing van de wettelijke regeling onbillijk is, mede gelet op een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin uitzonderingen werden gemaakt voor inwoners van door Israël bezette gebieden. Tevens stelde zij dat zij niet was gewezen op de mogelijkheid tot vrijwillige bijverzekering over de periode in Suriname.
De Raad oordeelde dat de wet dwingendrechtelijk is en dat de rechter niet bevoegd is om wetten in formele zin, zoals de AOW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Er was geen sprake van omstandigheden die een afwijking van de strikte wetstoepassing rechtvaardigen. Het beroep op discriminatie faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht niet verzekerd is voor de AOW over de studietijd in Suriname en wijst het hoger beroep af.