Uitspraak
17.3732 WIA
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig medisch secretaresse, meldde zich ziek in 2012 met fysieke en psychische klachten. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts en beoordeling door een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering vanaf 19 september 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten van appellante adequaat waren betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde waarom de medische informatie geen aanleiding gaf tot een urenbeperking of aanpassing van de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen en vroeg zij opnieuw om een deskundige. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de voorbeeldfuncties medisch passend zijn.
De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige en bevestigde het bestreden besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.