ECLI:NL:CRVB:2019:2671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, voormalig matroos, meldde zich ziek met lichamelijke en cognitieve klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch onderzoek en het opstellen van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellant slechts 16,35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat zijn psychische klachten waren verergerd, wat niet was meegenomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig, ook al waren sommige klachten na de datum van beoordeling toegenomen. De arbeidsdeskundige had passend werk geselecteerd dat appellant medisch gezien kon verrichten.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende arbeidsongeschikt was om recht te hebben op een WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering.