ECLI:NL:CRVB:2019:267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek wegens fysieke en later ook psychische klachten. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid beoordeelde het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. In bezwaar werd dit heroverwogen en vastgesteld dat appellant 39,36% arbeidsongeschikt was, waarna een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen alle klachten en bevindingen adequaat hadden betrokken. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat appellant verdergaand beperkt was dan vastgesteld en benadrukte dat klachten medisch objectiveerbaar moeten zijn.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er verdergaande beperkingen waren, onder meer voor de rug en het persoonlijk functioneren. Ook voerde hij aan dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege onvoldoende mogelijkheden tot vertreden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter volledig de overwegingen van de rechtbank. De ingediende stukken waren van algemene aard en boden geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad vond dat het UWV overtuigend had toegelicht dat de geselecteerde functies voldoende afwisseling boden, waardoor deze medisch passend waren.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.