ECLI:NL:CRVB:2019:267

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2019
Publicatiedatum
30 januari 2019
Zaaknummer
17/1383 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake weigering WIA-uitkering na langdurige arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 30 januari 2019 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de weigering van een WIA-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellant, die eerder als productiemedewerker werkzaam was, had zich op 24 december 2013 ziekgemeld vanwege fysieke en later ook psychische klachten. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 22 december 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor hij geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar heeft het Uwv in augustus 2016 besloten dat appellant wel recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering, maar dit besluit werd door de rechtbank Gelderland in januari 2017 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er verdergaande beperkingen zijn die niet zijn erkend. De rechtbank had echter geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen alle relevante informatie hadden meegenomen. De Centrale Raad van Beroep heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven en geconcludeerd dat de door appellant ingediende stukken geen aanleiding gaven voor een ander oordeel. De Raad heeft vastgesteld dat de geselecteerde functies medisch gezien passend zijn voor appellant, en dat er voldoende mogelijkheden tot vertreden zijn in deze functies.

De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af. Er zijn geen gronden voor een veroordeling in de proceskosten, en de uitspraak is openbaar gedaan.

Uitspraak

17.1383 WIA

Datum uitspraak: 30 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2017, 16/5194 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Namens appellant is mr. J.A.H. Blom, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker catering voor ongeveer 40 uur per week. Op 24 december 2013 heeft hij zich ziekgemeld wegens toegenomen fysieke klachten. Appellant ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Later zijn daar psychische klachten bijgekomen. Aan appellant is ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na 104 weken van arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv beoordeeld of appellant in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
Bij besluit van 23 november 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan omdat appellant met ingang van 22 december 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.3.
Bij besluit van 5 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen deze beslissing gegrond verklaard en besloten dat appellant met ingang van 22 december 2015 in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er verdergaande beperkingen dienen te worden opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit heeft geleid tot het selecteren van nieuwe functies en een mate van arbeidsongeschiktheid van 39,36%.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Hierbij is van belang geacht dat de verzekeringsartsen alle naar voren gebrachte klachten, de eigen bevindingen uit psychisch en lichamelijk onderzoek en de aanwezige informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze hebben betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft daarom geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist.
2.2.
De rechtbank is niet gebleken dat appellant verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. De door appellant overgelegde medische informatie heeft de rechtbank geen grond gegeven voor een ander oordeel. Daarbij is van belang geacht dat volgens vaste rechtspraak het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium vereist dat klachten, willen deze bij het vaststellen van aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking kunnen komen, medische objectiveerbaar dienen te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen op inzichtelijke wijze toegelicht welke beperkingen bij appellant geobjectiveerd kunnen worden en hebben zij appellant vervolgens op die punten adequaat beperkt geacht.
2.3.
Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daarnaast is appellant van mening dat de objectieve gegevens voldoende basis vormen voor het aannemen van verdergaande beperkingen voor onder andere de rug, de rechterhand en het persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant heeft hierbij ook verwezen naar een aantal door hem in geding gebrachte stukken van algemene aard over nekhernia, stenose en artrose. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat in de functiebeschrijving van de functies ‘Samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar’(SBC-code 267050) en ‘Productiemedewerker industrie’(SBC-code 111180) niet expliciet vermeld is dat er mogelijkheid tot vertreden bestaat en dat deze functies niet zonder meer voor appellant hadden mogen worden geselecteerd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De overwegingen van de rechtbank, zoals samengevat weergegeven in overwegingen 2.1 tot en met 2.3, worden geheel onderschreven.
4.2.
De door appellant in hoger beroep ingediende stukken leiden niet tot een ander oordeel. Deze stukken zijn van algemene aard en geven geen aanleiding om aan te nemen dat de medische belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist is vastgesteld.
4.3.
Met betrekking tot de gronden die appellant heeft aangevoerd tegen de medische geschiktheid van de geselecteerde functies wordt het volgende overwogen. Met betrekking tot de medische geschiktheid van de geselecteerde functies heeft het Uwv ter zitting overtuigend toegelicht hoe de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft kunnen komen tot het oordeel dat er voldoende mogelijkheden tot vertreden zijn in de geselecteerde functies. Uit het Resultaat functiebeoordeling komt naar voren dat in de functie ‘Samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar’ (SBC-code 267050) tijdens acht werkuren elk uur tweemaal ongeveer één minuut achtereen wordt gelopen en tweemaal ongeveer twee minuten achtereen wordt gestaan en dat tijdens vier werkuren elk uur tweemaal ongeveer vijf minuten achtereen wordt gestaan. In de functie ‘Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten)’ (SBC-code 111180) wordt tijdens acht werkuren elk uur viermaal ongeveer één minuut achtereen gelopen en viermaal ongeveer één minuut gestaan. Hierdoor bieden beide functies voldoende afwisseling van houding. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de voor het bestreden besluit geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant niet passend zijn.
4.4.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L. Boersma
md