ECLI:NL:CRVB:2019:2594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig tandartsassistente, ontving een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 9 augustus 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De verzekeringsarts had een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld en rekening gehouden met psychische aandoeningen zoals PTSS en een matig ernstige depressieve stoornis. De rechtbank vond onvoldoende medische grondslag voor verdergaande beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet opnieuw was onderzocht en dat haar medische situatie onveranderd was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat had beoordeeld, ook met inachtneming van aanvullende medische stukken en rapporten.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn en de loonwaarde correct is vastgesteld. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De WGA-uitkering wordt derhalve terecht beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.