ECLI:NL:CRVB:2019:255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid en WGA-uitkering
Appellant is sinds 29 mei 2008 arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WGA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling stelde het UWV op 14 april 2015 vast dat appellant voor 39,5% arbeidsongeschikt is met een resterende verdiencapaciteit van € 2.066,79 per maand. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid correct was vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zijn onderschat en verwees naar medische stukken van zijn behandelaars.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de eerdere gronden en argumenten niet tot een ander oordeel leiden dan dat van de rechtbank. De Raad onderschrijft dat de medische onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat rekening is gehouden met de psychische situatie van appellant. Het psychiatrisch rapport uit 2011 is niet actueel en onvoldoende onderbouwd voor een andere beoordeling.
De Raad volgt het oordeel dat de belastbaarheid in de geselecteerde functies niet wordt overschreden en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.