ECLI:NL:CRVB:2019:2536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als allround medewerker, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en bracht aanvullende medische informatie in, waaronder rapporten van huisartsen en internisten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV deugdelijk was en de aanvullende medische stukken onvoldoende waren om de beperkingen te herzien. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij volledig arbeidsongeschikt was vanwege psychische en fysieke klachten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze klachten voldoende had meegewogen.
De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en verwierp het beroep van appellante dat de geselecteerde functies niet passend waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.