ECLI:NL:CRVB:2019:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant viel sinds oktober 2008 uit voor zijn werk als schoonmaker en ontving een WIA-uitkering die in 2015 werd beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en de geselecteerde functies geschikt voor appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name vanwege handproblemen en psychische klachten zoals depressie, waren onderschat en dat onterecht geen urenbeperking was vastgesteld. Ook betwistte hij de geschiktheid van bepaalde functies, waaronder productiemedewerker metaal en electro-industrie en verpakkingsmedewerker.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen van het UWV de beperkingen adequaat hadden vastgesteld en overtuigend hadden gemotiveerd waarom er geen aanleiding was voor een urenbeperking. De psychische klachten werden meegewogen en een ernstige depressie werd niet vastgesteld. De Raad onderschreef bovendien het oordeel dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en dat het bijduiden van de functie verpakkingsmedewerker binnen dezelfde SBC-code geoorloofd was.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.