Uitspraak
18.5095 AW
15 augustus 2018, 18/619 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 december 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden
(18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.
pre-herplaatsingskandidaat is aangewezen, door het bevoegd gezag op diens verzoek ontheven van werkzaamheden, met behoud van aanspraken tot het einde van zijn loopbaan indien
16 december 2016 en 3 maart 2017 aan betrokkene dat de korpschef zich zag geconfronteerd met een groot aantal aanvragen om ontheffing van werkzaamheden terwijl er in die periode meer vacatures waren dan herplaatsingskandidaten. In dit licht bezien acht de Raad het niet onredelijk dat de korpschef eerst heeft getracht om zoveel mogelijk herplaatsingskandidaten te plaatsen op openstaande vacatures en er vervolgens bij de inhoudelijke beoordeling van de tot dan toe ingediende aanvragen voor heeft gekozen om een peildatum te hanteren om te bewerkstellingen dat die aanvragen op gelijke wijze worden behandeld. De gekozen peildatum van 1 juni 2017 kan in dit geval de rechterlijke toets doorstaan. Hierbij betrekt de Raad dat die datum is gelegen op een datum kort voor het nemen van het besluit van
12 juli 2017, waardoor het besluit is gebaseerd op recente informatie over de formatie en bezetting. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
.Appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij niet beoogt dat de korpschef bij de motivering persoonsgegevens zoals de namen van de betrokken herplaatsingskandidaten noemt, maar wel dat per herplaatsingskandidaat wordt toegelicht waarom de plek van betrokkene op de peildatum geen passende plek is. Dit betoog slaagt. De door de korpschef gegeven motivering is, zoals de korpschef ter zitting heeft toegelicht, een samenvatting van het overzicht van het Landelijk Mobiliteitscentrum. De korpschef heeft op basis van dat overzicht in het bestreden besluit in zeer algemene bewoordingen en in categorieën omschreven waarom geen sprake is van een passende plek en heeft daarbij het aantal herplaatsingskandidaten genoemd. Daarmee biedt de korpschef onvoldoende inzicht in de concrete redenen die tot de conclusie hebben geleid dat geen enkele herplaatsingskandidaat op de formatieplaats van appellant had kunnen worden geplaatst en op basis waarvan de aanvraag van betrokkene is afgewezen. Ten slotte heeft de korpschef ter zitting erkend dat in het nadere besluit abusievelijk niet is vermeld dat het onderzoek zag op het district Leiden Bollenstreek, team Leiden Noord. Het nadere besluit is gelet op het voorgaande in strijd met het motiveringsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.
1 juni 2017 een herplaatsingskandidaat op de plek van betrokkene kon worden geplaatst en zal hij per herplaatsingskandidaat moeten toelichten waarom de formatieplaats van betrokkene niet passend is. Verder zal de korpschef duidelijk moeten maken dat het onderzoek is gericht op het juiste district en team.