ECLI:NL:CRVB:2019:2503

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
18/607 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 4 Participatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig aanleveren bankafschriften

In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand met ingang van 15 juni 2017 na een eerdere opschorting per diezelfde datum. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, heeft verstrekt.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelt of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd was tot intrekking. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft aangeleverd, dat deze gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand en dat appellant redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, ondanks zijn stelling van een burn-out.

Het hoger beroep betoogt dat het college geen belangenafweging heeft gemaakt, maar de Raad oordeelt dat zonder de gevraagde gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en het college daarom de medewerkingsverplichting van appellant voorop mocht stellen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig aanleveren van bankafschriften wordt bevestigd.

Uitspraak

18.607 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2018, 17/5823 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 23 juli 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: D. Bakker
Partijen zijn ter zitting niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand met ingang van 15 juni 2017 na een eerdere opschorting van de bijstand per diezelfde datum. Het college heeft de bijstand ingetrokken omdat appellant de bij de opschorting gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, niet tijdig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.
Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand over te gaan, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.
Niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens niet tijdig heeft verstrekt, ook niet nadat hij erop was gewezen dat het niet tijdig verstrekken van de gegevens ertoe kan leiden dat de uitkering wordt stopgezet. Ook niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van de bijstand en dat appellant redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken. Niet gebleken is dat appellant van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens geen verwijt kan worden gemaakt. Dat hij als gevolg van een burn-out de gevraagde gegevens niet tijdig kon verstrekken heeft hij niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. De enkele stelling dat het college met de burn-out bekend zou zijn is daartoe onvoldoende. Het college was dus bevoegd de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.
Het hoger beroep komt er voorts op neer dat het college van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken omdat het heeft verzuimd een belangenafweging te maken. Nu appellant de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, niet heeft ingeleverd, kan het college het recht op bijstand niet beoordelen en is een afweging van de belangen van appellant niet goed mogelijk. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college de belangen bij het door appellant voldoen aan zijn medewerkingsverplichting voorop mocht stellen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) D. Bakker (getekend) P.W. van Straalen