ECLI:NL:CRVB:2019:2502

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
17/2461 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 22a Participatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand door toepassing kostendelersnorm zonder schending mensenrechten

In deze zaak stond de verlaging van de bijstand van appellante centraal, die voortvloeit uit de toepassing van de kostendelersnorm per 1 juli 2015. De appellante betoogde dat deze verlaging een onevenredige inbreuk vormt op haar eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De Centrale Raad van Beroep heeft beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht bij wet is voorzien, een legitiem doel dient en proportioneel is. De verlaging is gebaseerd op artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet en dient het algemeen belang. De Raad concludeerde dat de verlaging niet leidt tot een buitensporige last voor appellante, ook niet gezien haar financiële situatie en schulden.

De Raad benadrukte dat het delen van kosten door personen die samenwonen een redelijke grondslag vormt voor de kostendelersnorm. Het feit dat de zoon van appellante nog geen bijstand ontvangt, sluit niet uit dat hij bijdraagt aan de kosten. De bezwaren van appellante faalden, en de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd zonder kostenveroordeling.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand op grond van de kostendelersnorm wordt bevestigd als proportioneel en rechtmatig.

Uitspraak

17.2461 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2017, 15/6759 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 23 juli 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: D. Bakker
Namens appellante is mr. A.L. Kuit, advocaat, verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de verlaging van de bijstand van appellante als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm met ingang van 1 juli 2015.
Volgens vaste rechtspraak is bij de beëindiging of intrekking van een bijstandsuitkering het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) in het geding. Bij een verlaging van een bijstandsuitkering is dit niet anders, zodat die verlaging aan die bepaling kan worden getoetst. Nu moet worden aangenomen dat sprake is van inmenging in het eigendomsrecht van appellante, moet acht worden geslagen op de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak aan artikel 1 van Pro het EP geeft. Daarbij dient allereerst beoordeeld te worden of de inmenging bij wet is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht (“fair balance”) is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging in het eigendomsrecht een buitensporig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen.
Vast staat dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging van de bijstand van appellante bij wet is voorzien. Deze verlaging vloeit immers voort uit en is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Evenmin is in geschil dat de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of de verlaging van bijstand als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm voor personen als appellante proportioneel is, dan wel in haar geval tot een “individual and excessive burden” leidt.
Dat is naar het oordeel van de Raad niet het geval.
De toepassing van de kostendelersnorm kan weliswaar aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, maar niet zodanig dat enkel om die reden al zou moeten worden geoordeeld dat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Hierbij moet onder meer worden betrokken dat, zoals in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW is opgemerkt, degenen die hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, kosten met elkaar kunnen delen en daardoor lagere bestaanskosten hebben. Dat is in het geval van appellante niet anders. Dat de zoon nog geen bijstand ontvangt, staat er niet aan in de weg dat hij moet worden geacht een bijdrage te kunnen leveren in de kosten.
De verwijzing naar de schulden die appellante heeft, maakt niet dat in het geval van appellante sprake is van “an individual and excessive burden”. Met de schulden wordt immers nog geen compleet beeld gegeven van de financiële situatie van appellante. Een overzicht van haar inkomsten en haar vaste lasten heeft appellante niet gegeven.
De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) D. Bakker (getekend) P.W. van Straalen