ECLI:NL:CRVB:2019:2502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand door toepassing kostendelersnorm zonder schending mensenrechten
In deze zaak stond de verlaging van de bijstand van appellante centraal, die voortvloeit uit de toepassing van de kostendelersnorm per 1 juli 2015. De appellante betoogde dat deze verlaging een onevenredige inbreuk vormt op haar eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Centrale Raad van Beroep heeft beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht bij wet is voorzien, een legitiem doel dient en proportioneel is. De verlaging is gebaseerd op artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet en dient het algemeen belang. De Raad concludeerde dat de verlaging niet leidt tot een buitensporige last voor appellante, ook niet gezien haar financiële situatie en schulden.
De Raad benadrukte dat het delen van kosten door personen die samenwonen een redelijke grondslag vormt voor de kostendelersnorm. Het feit dat de zoon van appellante nog geen bijstand ontvangt, sluit niet uit dat hij bijdraagt aan de kosten. De bezwaren van appellante faalden, en de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand op grond van de kostendelersnorm wordt bevestigd als proportioneel en rechtmatig.