ECLI:NL:CRVB:2019:2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit ondanks psychische beperkingen
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met zwangerschapsgerelateerde klachten. Na diverse ziekte-uitkeringen en een beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de Ziektewetuitkering per 8 juli 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen, waaronder een ernstige depressieve stoornis, onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit standpunt voldoende had weerlegd met gemotiveerde rapporten en dat de informatie van behandelaars onvoldoende aanknopingspunten bood voor meer beperkingen.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren voor de belastbaarheid van appellante en dat zij met deze functies 84,6% van haar loon kon verdienen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.