Appellante, werkzaam als pedagogisch medewerker en later callcentermedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. De werkgever maakte bezwaar, waarna het UWV besloot dat de WGA-uitkering niet aan de werkgever wordt toegerekend en deze met een uitlooptermijn van zes weken wordt beëindigd, met een vaststelling van 0% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd, mede op basis van rapporten van diverse specialisten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding zag om het medisch oordeel te betwijfelen, onderbouwd met een verklaring van GGZ Oost-Brabant.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat de verklaring van GGZ Oost-Brabant geen nieuwe medische informatie bevatte. Er was geen reden om het medisch standpunt van het UWV te betwijfelen of een deskundige in te schakelen. De Raad bevestigde de uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.