ECLI:NL:CRVB:2019:243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en geen onrechtmatig onderzoek
Appellant had bijstand ontvangen die door het college van burgemeester en wethouders van Ede werd ingetrokken met ingang van 15 december 2015, omdat hij na een eerdere opschorting niet was verschenen voor een gesprek om zijn financiële situatie toe te lichten. Daarnaast werd de bijstand over de periode van 1 september 2013 tot en met 14 december 2015 ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenplicht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college vorderde tevens de ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 1 september 2013 tot en met 30 september 2015 terug, een bedrag van € 37.633,59. Appellant stelde dat het onderzoek dat aan deze besluiten ten grondslag lag onrechtmatig was, omdat het gebaseerd was op een politietip. De Raad oordeelde echter dat het college op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet altijd bevoegd is om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens, ongeacht de aanleiding.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank Gelderland. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2019.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd; het beroep van appellant wordt verworpen.