ECLI:NL:CRVB:2019:2425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2019
Publicatiedatum
23 juli 2019
Zaaknummer
18/998 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EG) nr. 883/2004
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage vanaf datum verdragsgerechtigdheid ondanks latere inschrijving

Appellante woont sinds 18 november 2015 in Italië en ontving uitkeringen op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Het CAK heeft haar vanaf die datum als verdragsgerechtigde aangemerkt op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004, waardoor zij recht heeft op zorg in Italië ten laste van Nederland.

Het CAK stelde de buitenlandbijdrage vast over de periode vanaf 18 november 2015 en verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze vaststelling ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep betwist appellante niet dat zij vanaf 18 november 2015 verdragsgerechtigd was, maar stelt dat zij pas vanaf 11 maart 2016 met het E-121 formulier was ingeschreven bij het bevoegde Italiaanse orgaan en dus pas vanaf dat moment gebruik kon maken van haar zorgrecht. Tevens voert zij aan dat de systematiek van de buitenlandbijdrage onduidelijk is.

De Raad oordeelt dat artikel 69, tweede lid, Zvw dwingend bepaalt dat de buitenlandbijdrage verschuldigd is vanaf het moment van verdragsgerechtigdheid. De datum van inschrijving met het E-121 formulier en het al dan niet kunnen effectueren van zorgverstrekkingen zijn niet relevant. De onduidelijkheid over de systematiek doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de buitenlandbijdrage is verschuldigd vanaf 18 november 2015.

Uitspraak

18.998 ZVW

Datum uitspraak: 17 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 januari 2018, 17/2243 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Italië) (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2019. Appellante is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante woont sinds 18 november 2015 in Italië en ontving in 2015 en 2016 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een uitkering van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (Z&W).
1.2.
CAK heeft appellante bij besluit van 25 januari 2016 op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 vanaf 18 november 2015 als verdragsgerechtigde aangemerkt waardoor zij recht heeft op zorg in haar woonland (Italië), ten laste van Nederland.
1.3.
CAK heeft bij besluit van 18 augustus 2016, gewijzigd bij besluit van 6 september 2016, aan appellante de voorlopige jaarafrekening over 2015 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage over de periode 18 november 2015 tot en met 31 december 2015 is vastgesteld.
1.4.
Bij besluit van 9 december 2016 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 september 2016 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt niet dat zij vanaf 18 november 2015 verdragsgerechtigd is, maar dat zij de buitenlandbijdrage over de periode van 18 november 2015 tot 11 maart 2016 verschuldigd is. Dit omdat zij eerst op 11 maart 2016 met een E-121 formulier als verdragsgerechtigde is ingeschreven bij het bevoegde orgaan in Italië. Zij kon dan ook pas vanaf dat moment gebruik maken van haar recht op zorg in Italië. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat de systematiek van de buitenlandbijdrage niet duidelijk is.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling
3.1.
.In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is dwingend bepaald dat de buitenlandbijdrage is verschuldigd van diegenen die verdragsgerechtigd zijn. Appellante was verdragsgerechtigd vanaf 18 november 2015, zodat zij ook vanaf die datum de buitenlandbijdrage verschuldigd was. Noch de datum van inschrijving met het E-121 formulier, noch het antwoord op de vraag of appellante door zich niet tijdig te laten inschrijven bij het bevoegde orgaan van haar woonplaats de verstrekkingen waarop zij recht had al dan niet heeft kunnen effectueren is gelet op het dwingende karakter van voormeld artikelonderdeel hierop van invloed. Dat voor appellante de systematiek van de buitenlandbijdrage niet duidelijk is, doet aan voormeld in dwingende bewoordingen gesteld artikelonderdeel niet af.
3.2.
Uit 3.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.A.E. Lageweg
rh