ECLI:NL:CRVB:2019:2353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering medewerking onaangekondigd huisbezoek
Appellante ontving aanvullende bijstand en stond ingeschreven op een adres samen met haar dochter. Naar aanleiding van een melding en nader onderzoek ontstond het vermoeden dat zij samenwoonde met haar ex-partner, wat van invloed is op de rechtmatigheid van de bijstand. Het college voerde dossieronderzoek, internetonderzoek en waarnemingen uit, waaronder het opvragen van waterverbruiksgegevens.
Op 27 januari 2016 wilden medewerkers van het college een onaangekondigd huisbezoek afleggen, maar appellante weigerde mee te werken. Het college trok daarop de bijstand met ingang van die datum in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het college geen concrete aanleiding had voor het onderzoek en dat het huisbezoek niet redelijk was, omdat minder belastende middelen zoals een buurtonderzoek mogelijk waren. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot onderzoek zonder voorafgaand signaal en dat het waterverbruik en eerdere gesprekken voldoende concrete feiten boden om het huisbezoek te rechtvaardigen.
De Raad vond dat het buurtonderzoek niet effectief was om de woon- en leefsituatie te verifiëren. Appellante had daarom ten onrechte geweigerd mee te werken, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering medewerking aan een onaangekondigd huisbezoek wordt bevestigd.