Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 2009 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). In 2013 werd de AIO aangepast vanwege een pensioen uit Bosnië en Herzegovina. In 2017 meldde appellant een woning in Bosnië en Herzegovina met een opgegeven waarde van circa €53.000, onderbouwd met een document van de Servische belastingdienst.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok daarop per 1 maart 2017 de AIO-aanvulling in en vorderde een bedrag van circa €2.284 terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwist appellant de waardebepaling van de woning en stelt dat de woning minder waard is.
De Raad oordeelt dat de Svb terecht uitging van de waarde uit het document van de Servische belastingdienst, omdat appellant geen verifieerbare lagere waarde heeft aangetoond. De intrekking van de AIO-aanvulling blijft daarom in stand. De terugvordering wordt echter niet gehandhaafd en het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed.