ECLI:NL:CRVB:2019:2288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep en voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens onvoldoende verblijfplaatsinformatie
Verzoeker had bijstand aangevraagd en een maandelijkse reservering voor huur- en inrichtingskosten werd op zijn uitkering ingehouden. Na het laatste geregistreerde verblijf in een nachtopvang op 17 augustus 2017, verstrekte verzoeker onvoldoende controleerbare informatie over zijn verblijfplaats. Het college schortte daarom de bijstand op en trok deze later in.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten ongegrond. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij wel aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan en dat de reserveringen onterecht waren. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende bewijs leverde van zijn verblijf in nachtopvanglocaties na 18 augustus 2017 en dat de reserveringen op zijn bijstand terecht waren overeengekomen.
De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat geen sprake was van onverwijlde spoed. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2019.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onvoldoende controleerbare informatie over de verblijfplaats wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.