ECLI:NL:CRVB:2019:2279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herhaalde aanvraag WAO-uitkering wegens heupbeperkingen en val op werk
Appellant, met een aangeboren heupafwijking, werkte als schoonmaker en magazijnmedewerker totdat hij zich ziek meldde na een val op het werk in 2000. In 2002 kende het UWV hem een WAO-uitkering toe, waarbij het loon als magazijnmedewerker buiten beschouwing werd gelaten vanwege bestaande beperkingen. In 2015 verzocht appellant om herziening van het besluit en opname van het magazijnwerk als maatgevende arbeid, stellende dat hij bij aanvang geschikt was voor dit werk en de val de klachten veroorzaakte.
Een verzekeringsarts concludeerde in 2016 dat de heupafwijking al ernstig was vóór de val en dat het werk als magazijnmedewerker destijds al ongeschikt was. Het UWV wees het verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, wat ook door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd had geoordeeld en dat het besluit niet evident onredelijk was.
De Raad benadrukte dat een herhaalde aanvraag op grond van artikel 4:6 Awb Pro alleen in behandeling wordt genomen bij nieuwe feiten of omstandigheden. Appellant had destijds bezwaar kunnen maken tegen het oorspronkelijke besluit. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag van appellant wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.