ECLI:NL:CRVB:2019:2249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na herbeoordeling
Appellante, werkzaam als activiteitenbegeleidster, werd sinds 2007 ziek gemeld met klachten van overprikkelbaarheid en ontving een WIA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 35%, waardoor haar recht op uitkering verviel.
Appellante voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat. Zij stelde dat haar klachten objectiveerbaar zijn en dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar behandelend artsen. Ook klaagde zij over het ontbreken van een onafhankelijke deskundige, wat volgens haar het recht op een eerlijk proces schond.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij klachten en medische informatie van behandelaars waren betrokken. Het beginsel van equality of arms werd niet geschonden omdat appellante voldoende gelegenheid had medische stukken in te dienen en deze werden meegewogen. De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
De medische en arbeidskundige beoordelingen waren voldoende gemotiveerd en de geselecteerde functies passend. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.