ECLI:NL:CRVB:2019:2238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als schilder, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterarm en rug en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant nog 68,59% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de uitkering per 23 juli 2016.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen en dat medische gegevens onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant dezelfde gronden aan zonder nieuwe medische gegevens. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij onvoldoende verdiencapaciteit had. De uitkering is terecht beëindigd.
De Raad wees ook op de wettelijke criteria uit de Ziektewet die bepalen dat een uitkering kan worden beëindigd als de verzekerde meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.