ECLI:NL:CRVB:2019:2223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet woonachtig op opgegeven adres
Appellant diende op 1 december 2016 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet en verklaarde op het aanvraagformulier dat hij samen met de hoofdhuurder op het opgegeven adres woonde. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen weigerde de aanvraag nadat uit nader onderzoek, waaronder een huisbezoek, bleek dat appellant geen persoonlijke spullen in de woning had en de bankafschriften wezen op een verblijf elders.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere gronden, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad benadrukte dat appellant geen (onder)huurcontract kon overleggen, geen bewijs leverde van huurbetaling en onvoldoende onderbouwing gaf voor de verklaring dat persoonlijke spullen elders werden bewaard. Ook de bankafschriften en het adres daarin gaven aanleiding tot twijfel over het woonadres. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf op het opgegeven adres.