Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
17/4631 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 7:658 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd

Appellant is sinds 26 augustus 2013 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en een polsfractuur. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, die per 24 augustus 2017 werd beëindigd vanwege een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot 31,69%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en de beëindiging van de uitkering, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard na medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een psychiater.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele beperkingen adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische beperkingen en beperkingen aan zijn rechterhand waren onderschat en verzocht om inschakeling van een onafhankelijke psychiater.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij ook een psychiatrische expertise is ingeschakeld. Er is geen medische onderbouwing gevonden voor de door appellant ervaren concentratie- en geheugenproblemen. De beperkingen aan de rechterhand zijn adequaat in de FML verwerkt. Het verzoek om een onafhankelijke psychiater wordt afgewezen. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17.4631 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2017, 16/7438 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 juni 2019
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, zich vervolgens als gemachtigde gesteld en (nadere) gronden van het hoger beroep ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec en vergezeld door zijn vrouw. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 26 augustus 2013 uitgevallen voor zijn werk als monteur (projectleider) voor 35,31 uur per week, wegens psychische klachten. Bij besluit van 5 april 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 augustus 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Tevens is bij dit besluit vastgesteld dat met ingang van 16 december 2015 de mate van arbeidsongeschiktheid 31,69% bedraagt en dat daarom de WIA-uitkering met ingang van 24 augustus 2017 wordt beëindigd. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts, een door het Uwv ingeschakelde psychiater en een arbeidsdeskundige ten grondslag.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 16 december 2015 en de beëindiging van de WIA-uitkering per 24 augustus 2017. Bij beslissing op bezwaar van 2 augustus 2016 (bestreden besluit) is het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat sprake is geweest van voldoende zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is in afdoende mate rekening gehouden met de psychische gezondheidssituatie van appellant en de klachten aan de rechterpols. Voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling en de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 december 2015 heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding gezien. Verder heeft de rechtbank de geschiktheid voor appellant van de geselecteerde functies afdoende gemotiveerd geacht. Terecht heeft het Uwv dan ook besloten dat de WIA‑uitkering wordt beëindigd met ingang van 24 augustus 2017.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat evenals de beperkingen aan zijn rechterhand. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de behandeling van de polsfractuur nog voortduurde na 16 december 2015 en de beperkingen zijn onderschat, heeft hij informatie van Bravis Ziekenhuis ingediend van 13 april 2015, 6 mei 2015 en 24 mei 2016. De concentratie- en geheugenproblemen komen volgens appellant naar voren uit de informatie van de behandelende sector. Ten onrechte heeft dit niet geleid tot beperkingen in de FML. Ook zijn de geselecteerde functies niet geschikt voor hem, gelet op zijn beperkingen. Hij heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec) en de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) verzocht om inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige, gelet op de door hem gezaaide twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts heeft psychiater J.H.M. van Laarhoven ingeschakeld voor een psychiatrische expertise en op basis van diens bevindingen, in combinatie met de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen en de beschikbare informatie van de behandelende sector, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de FML van 18 december 2015 een juiste weergave is van de functionele mogelijkheden van appellant. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling geen aanleiding is. Met de psychische klachten van appellant is afdoende rekening gehouden in de FML. Noch psychiater Van Laarhoven noch de beide verzekeringsartsen hebben tijdens hun onderzoeken beperkingen kunnen vaststellen ten aanzien van de concentratie of het geheugen. Uit de informatie van de behandelende sector blijkt niet van een neurologische verklaring voor de door appellant ervaren klachten van concentratie en geheugen. Uit de brief van psychiater W. Rovers en
L. Franken van 14 juni 2016 blijkt dat aanleiding werd gezien voor een neuropsychologisch onderzoek (NPO) en appellant is uitgenodigd voor een NPO op 24 juni 2016. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat dit NPO niet heeft plaatsgevonden. Van een medische onderbouwing voor zijn concentratie- en geheugenklachten is dan ook niet gebleken. Appellant heeft in hoger beroep informatie van Bravis Ziekenhuis ingediend betreffende de behandeling van zijn polsfractuur. Deze informatie was ook al in de beroepsfase ingediend en doet niet af aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek op 16 december 2015 een krachtvermindering in de rechterhand vastgesteld en de verzekeringsarts bezwaar en beroep was bij zijn onderzoek op 17 juni 2016 door appellant geïnformeerd over de behandeling van de polsfractuur en heeft de rechterhand ook onderzocht. Hierbij heeft hij verminderde knijpkracht en pijn in de uiterste standen vastgesteld. In de FML zijn hiertoe beperkingen aangenomen ten aanzien van hand- en vingergebruik, duwen/trekken, tillen/dragen en frequent zware lasten tillen. Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen na de operatie in april 2016 zijn toegenomen, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML op dit punt.
4.2.
Nu er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om inschakeling van een onafhankelijke psychiater afgewezen.
4.3.
De overwegingen van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies worden volledig onderschreven.
4.4.
Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4.5.
Nu het bestreden besluit in stand blijft, is van gederfde wettelijke rente geen sprake. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt dan ook afgewezen.
4.6.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) M. Graveland

KS