ECLI:NL:CRVB:2019:2200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant, voormalig verkoper buitendienst/exportmanager, meldde zich in 2007 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2009 een WIA-uitkering. Na inkomsten uit eigen onderneming werd de uitkering in 2013 beëindigd. In 2015 vroeg appellant opnieuw een WIA-uitkering aan vanwege verslechterde gezondheid. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waaronder geen onregelmatige diensten en beperkingen in sociaal functioneren.
Het UWV besloot in 2015 dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en het UWV wijzigde het besluit deels, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn urenbeperking ten onrechte was vervallen en dat zijn chronische aanpassingsstoornis een beperktere arbeidsduur rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had gemotiveerd. De Raad vond geen aanleiding om de FML onjuist te achten of een verdere aanscherping van de urenbeperking noodzakelijk. De geselecteerde passende functies waren passend en het UWV had terecht vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.