ECLI:NL:CRVB:2019:2195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon door UWV na bezwaar en beroep
Appellant werkte als huishoudelijke hulp en ontving sinds 1 augustus 2014 een WW-uitkering. Na ziekmelding in februari 2015 kende het UWV hem per 22 februari 2017 een IVA-uitkering toe, berekend op een dagloon van €59,68. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon en stelde dat de inkomensgegevens van zijn werkgever niet juist waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode van 1 februari 2014 tot en met 31 januari 2015 correct had vastgesteld en dat de dagloonberekening op basis van de polisadministratie juist was. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde argumenten aan, waaronder dat hij als schoonmaker in de sociale werkvoorziening een hoger dagloon had en dat dit ook meegewogen had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het UWV de inkomensgegevens binnen de referteperiode juist had verwerkt en dat appellant zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd. Er waren geen nieuwe gronden in hoger beroep. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het dagloon op €59,68 door het UWV wordt bevestigd.