ECLI:NL:CRVB:2019:2190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant was werkzaam als logistiek medewerker en meldde zich ziek met nekklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd omgezet in een WGA-vervolguitkering. Na bezwaar stelde een verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan berekende een arbeidsdeskundige dat appellant slechts 3,53% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de WGA-vervolguitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies te betwijfelen. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek beperkt was en onvoldoende rekening hield met zijn psychische en lichamelijke klachten, ondersteund door een brief van zijn GZ-psycholoog.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat de aanvullende brief geen nieuwe inzichten bood. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-vervolguitkering bevestigd.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering van appellant is terecht beëindigd na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.