ECLI:NL:CRVB:2019:2189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellante stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een bepaald adres en ontving studiefinanciering als uitwonende studente. Tijdens een controleperiode van 26 september tot 3 november 2016 hebben controleurs vastgesteld dat zij niet feitelijk woonde op het BRP-adres. Op basis van het onderzoeksrapport heeft de minister de studiefinanciering herzien en appellante als thuiswonend aangemerkt, met terugvordering van €1.447,46.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat aannemelijk was dat zij niet op het BRP-adres woonde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij feitelijk op twee adressen woonde, waaronder het BRP-adres, en dat de beperkte hoeveelheid spullen op dat adres toevallig was.
De Raad overwoog dat wonen moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en dat de beperkte persoonlijke bezittingen en de aanwezigheid van spullen van haar nicht op het BRP-adres aannemelijk maken dat zij daar niet woonde. De verklaringen van appellante waren inconsistent en tegenstrijdig. Ook het feit dat zij niet op het adres van haar moeder woonde, maakt haar niet automatisch uitwonend, aangezien feitelijk wonen op het BRP-adres vereist is. Omdat iemand slechts op één adres kan staan ingeschreven, is het risico van wonen op meerdere adressen voor appellante. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de studiefinanciering wordt bevestigd.