ECLI:NL:CRVB:2019:2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheid voor werk huishoudelijk hulp na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als huishoudelijk hulp en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij geschikt was voor haar eigen werk en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep overwoog de Centrale Raad van Beroep dat het rapport van psycholoog Van Rijn, waarin ernstige en chronische psychische stoornissen werden gesteld, onvoldoende aanleiding gaf om af te wijken van de eerdere beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de diagnose uit het rapport niet wezenlijk afweek van eerdere conclusies en dat de behandelaars destijds geen ernstige depressie of PTSS hadden vastgesteld.
Ook lichamelijke klachten zoals een vermeende hernia werden niet onderbouwd door medische informatie. Omdat er geen twijfel bestond over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, werd geen deskundige ingeschakeld. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.