ECLI:NL:CRVB:2019:2123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen van broer
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geconfronteerd met een herziening en terugvordering van bijstand over de periode 1 november 2015 tot en met 31 augustus 2016. Dit vanwege diverse bijschrijvingen en kasstortingen op zijn bankrekening, afkomstig van zijn broer, die niet waren gemeld.
Appellant stelde dat deze bijschrijvingen leningen betroffen die hij steeds contant aan zijn broer terugbetaalde, zodat er geen sprake was van inkomen in de zin van de Participatiewet. De Raad oordeelde echter dat kasstortingen en bijschrijvingen van derden in beginsel als inkomen worden beschouwd, ook indien zij als lening worden aangeduid, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze volledig zijn terugbetaald. Appellant kon dit niet concreet en verifieerbaar aantonen.
Verder voerde appellant aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege zijn medische situatie en de negatieve gevolgen voor zijn gezondheid. De Raad vond dit onvoldoende omdat de sociale en financiële gevolgen niet onaanvaardbaar waren, en de situatie niet uitzonderlijk genoeg was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.