Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2123

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
2 juli 2019
Zaaknummer
17/7205 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 32 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen van broer

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam geconfronteerd met een herziening en terugvordering van bijstand over de periode 1 november 2015 tot en met 31 augustus 2016. Dit vanwege diverse bijschrijvingen en kasstortingen op zijn bankrekening, afkomstig van zijn broer, die niet waren gemeld.

Appellant stelde dat deze bijschrijvingen leningen betroffen die hij steeds contant aan zijn broer terugbetaalde, zodat er geen sprake was van inkomen in de zin van de Participatiewet. De Raad oordeelde echter dat kasstortingen en bijschrijvingen van derden in beginsel als inkomen worden beschouwd, ook indien zij als lening worden aangeduid, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze volledig zijn terugbetaald. Appellant kon dit niet concreet en verifieerbaar aantonen.

Verder voerde appellant aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege zijn medische situatie en de negatieve gevolgen voor zijn gezondheid. De Raad vond dit onvoldoende omdat de sociale en financiële gevolgen niet onaanvaardbaar waren, en de situatie niet uitzonderlijk genoeg was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

17 7205 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 25 juni 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
27 september 2017, 17/1825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deen en H.F.R. Alberts, ambulant begeleider. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L. Jagt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een heronderzoek heeft het college appellant verzocht om te verschijnen op een gesprek op 15 september 2016 en hem verzocht naar dit gesprek zijn bankafschriften over de periodes september 2015 tot en met december 2015 en augustus 2016 mee te nemen. Tijdens het gesprek op 15 september 2016 heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam geconstateerd dat op de bankrekening van appellant diverse bijschrijvingen en kasstortingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het heronderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 december 2016.
1.2.
Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 16 december 2016, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 augustus 2016 te herzien en de over die periode verstrekte bijstand tot een bedrag van € 529,22 van appellant terug te vorderen. Bij besluit van
4 januari 2017 heeft het college de vordering op appellant gebruteerd en vastgesteld op € 727,61.
1.3.
Bij besluit van 10 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 16 december 2016 en 4 januari 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit, voor zover hier van belang, heeft het college ten grondslag gelegd dat bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekening van appellant hebben plaatsgevonden waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het college. Het college heeft de bijschrijvingen en kasstortingen aangemerkt als inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is geen sprake.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De in geding zijnde periode loopt van 1 november 2015 tot en met 31 augustus 2016.
4.2.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college ten onrechte zijn bijstand heeft herzien. De bijschrijvingen, afkomstig van zijn broer, betroffen leningen waarmee appellant aan het einde van de maand in zijn levensonderhoud kon voorzien. Appellant heeft de geleende bedragen steeds direct nadat hij maandelijks zijn bijstand ontving contant aan zijn broer terugbetaald, zodat hij geen inkomsten in de zin van de PW heeft genoten.
4.2.2.
Vaststaat dat in de periode in geding op de bankrekeningen van appellant zeer frequent bedragen door de broer van appellant zijn bijgeschreven.
4.2.3.
Kasstortingen en bijschrijvingen van derden op een bankrekening van een bijstandsontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Anders dan appellant heeft aangevoerd is daarbij niet van belang of de bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als lening. Evenmin is relevant of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, noch of de lening daadwerkelijk is terugbetaald. Een geldlening is volgens artikel 31, tweede lid, van de PW namelijk niet uitgezonderd van de middelen waarover de bijstandsgerechtigde kan beschikken. Verder worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandsontvanger aangemerkt. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Dit kan slechts anders zijn in het geval dat een betrokkene is aangewezen op het aangaan van geldleningen om in zijn onderhoud te voorzien in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt, maar die situatie doet zich hier niet voor.
4.2.4.
Voorbijgaand aan wat in 4.2.3 wordt overwogen in verband met het in aanmerking nemen van leningen als inkomen, heeft het college ter zitting het standpunt ingenomen dat indien een betrokkene aannemelijk maakt dat sprake is van geleende bedragen die volledig zijn terugbetaald, het college de bijschrijvingen niet als inkomsten aanmerkt. Ook daarvan uitgaande slaagt het hoger beroep niet. Appellant heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de door zijn broer op zijn bankrekening gestorte bedragen leningen zijn die hij volledig heeft terugbetaald. Dat sprake is van geleende bedragen die zijn terugbetaald is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat het college in zoverre op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de kennelijk gevolgde lijn om geleende bedragen die volledig zijn terugbetaald niet als inkomen in aanmerking te nemen.
4.2.5.
Gelet op 4.2.3 en 4.2.4 heeft het college de onder 4.2.2 bedoelde bijschrijvingen terecht aangemerkt als inkomen.
4.3.1.
Appellant heeft verder aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Deze dringende redenen zijn gelegen in de medische situatie van appellant en de schadelijke invloed die de terugvordering op zijn gezondheid heeft. Ter onderbouwing heeft appellant gewezen op een brief van zijn ambulant begeleider van GGZ van 26 april 2017.
4.3.2.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Uit de brief van de ambulant begeleider van appellant kan worden afgeleid dat appellant zich als gevolg van het bestreden besluit boos voelt, slecht slaapt en daardoor overdag niet goed kan functioneren, maar niet dat appellant als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare sociale of financiële situatie is terechtgekomen.
4.4.
Uit 4.2.5 en 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2019.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) A.M. Pasmans