ECLI:NL:CRVB:2019:2117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting deelname test- en trainingstraject zonder sprake van dwangarbeid
Appellant ontvangt sinds 2010 bijstand en is door het college verplicht gesteld deel te nemen aan een test- en trainingstraject bij een Werk- en leerbedrijf. Eerder stopte appellant na een week met een soortgelijk traject en maakte bezwaar, dat werd ingetrokken nadat het traject werd beëindigd. Het college legde bij besluit van 29 juli 2016 de verplichting op om opnieuw aan het traject deel te nemen, gericht op het verbeteren van arbeidscompetenties en uitstroom naar regulier werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het traject neerkomt op verplichte arbeid in strijd met artikel 4 EVRM Pro, omdat het een regulier productiebedrijf betreft, de werkzaamheden productief zijn, nauwelijks begeleiding wordt geboden en er geen beloning is. Tevens stelde hij dat het traject verdringing van reguliere arbeid veroorzaakt.
De Raad oordeelt dat geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid zoals bedoeld in artikel 4 EVRM Pro, omdat geen fysieke of psychische dwang is aangetoond en het traject niet disproportioneel belastend is. Het traject is kortdurend, gericht op het in kaart brengen van competenties en het vergroten van kansen op duurzame arbeidsinschakeling. Het vindt plaats op een aparte locatie met begeleiding en betreft werkzaamheden die niet rendabel zijn in loondienst. Verdringing van reguliere arbeid is niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verplichting tot deelname aan het test- en trainingstraject wordt bevestigd; er is geen sprake van dwangarbeid of verdringing van reguliere arbeid.