ECLI:NL:CRVB:2019:207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gehuwde status voor AOW-pensioen ondanks gezamenlijke huishouding met ex-echtgenote
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om hem een AOW-pensioen toe te kennen op grond van de gehuwdenregeling. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellant zijn hoofdverblijf deelt met zijn ex-echtgenote en dat zij samen drie kinderen hebben. Op grond van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt bij een gezamenlijke huishouding uitgegaan van een gehuwde status. Het feit dat de kinderen meerderjarig zijn en dat de relatie commercieel van aard is, doet hieraan niet af.
De Raad benadrukte dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over een IOAW-uitkering voor een alleenstaande niet relevant is voor de beoordeling van de AOW-status, omdat het hier verschillende wetten betreft. De Svb heeft dan ook terecht appellant als gehuwde aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant wordt als gehuwde aangemerkt voor het AOW-pensioen.