ECLI:NL:CRVB:2019:2056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na medisch onderzoek bevestigd
Appellant was tot 2009 werkzaam als schoonmaker en meldde zich in 2012 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde in 2014 een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt voor de functie van productiemedewerker metaal en elektro-industrie.
Na een nieuwe ziekmelding in 2015 ontving appellant een WW-uitkering. In 2016 stelde het UWV vast dat appellant geen recht meer had op Ziektewetuitkering omdat hij geschikt was voor de maatgevende arbeid. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel na beoordeling van medische gegevens en concludeerde dat er geen verslechtering was.
In hoger beroep voerde appellant aan onvoldoende hersteld te zijn en niet geschikt voor zijn arbeid. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met dossierstudie, anamnese en lichamelijk en psychisch onderzoek. Er was geen bewijs voor toename van beperkingen. De brief van de arbeidsfysiotherapeut bood onvoldoende medische onderbouwing voor een urenbeperking.
De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor de eerder geselecteerde functie en dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor de maatgevende arbeid.